De monnik met één vuist

Het wordt me regelmatig gevraagd. Of ik ook zelf bier brouw. Nee, is dan het antwoord. Er wordt al zo ontzettend veel bier gemaakt, dat je a) van goede huize moet komen en b) er heel veel tijd en energie in moet steken om iets te maken dat wat toevoegt aan datgene wat er al is. Op beide aspecten kom ik te kort, vrees ik. Ik schik mij dus in de rol van drinker. Dat moet ook gebeuren. En dan schrijf ik er wat over. Trouwens, wat is dat eigenlijk voor vraag? Aan iemand die een krentenbol eet vraag je toch ook niet of ie zelf brood bakt? Iemand die een haring hapt bij Alie de visboer wordt toch ook niet vorsend onderzocht op de aanwezigheid van hengel en aas? Moet iemand die op een fiets rijdt zelf de wielen hebben uitgevonden? Adem in, adem uit.

Toch is voor veel mensen de stap van bierliefhebber naar thuisbrouwer een geheel vanzelfsprekende. Zo ook voor het miskend komisch talent Julien Althuisius, die onlangs ten tweede male zijn schrijftalent botvierde op het onderwerp ‘bier’. Hier is poging 1, en hier poging 2.  Houdt u de buik maar vast. Met één vuist, net als de ten tonele gevoerde monnik. De diepere laag: ‘craft beer’ is net zo erg als een Nutella-shop, en een bierbrouwpakket van de Hema is ook Fout. Wat voor hem spreekt: zijn conclusie in het tweede stukje is uiteindelijk toch “Koop bier … Maar maak het, alsjeblieft, niet zelf”. Enfin. Wat kan ie tv kijken hè, onze Juul.

Vooralsnog is er geen nieuwe Youp opgestaan, zoveel is duidelijk. Maar evengoed bevat deze tekst een belangrijke boodschap. Voor wie het zien wil. Of voor wie wat misantropisch is aangelegd. Met name op dat laatste aspect scoor ik ruim voldoende, vrees ik. Want het onmiskenbaar misprijzende ondertoontje in het stukje, eenmaal ontdaan van de kolder, is precies het toontje waarmee meer mensen tegen biervariatie aankijken. Leuk hoor, maar wat een gedoe allemaal en wat een poeha en wat is het duur en doe nou maar weer gewoon, stelletje uitslovers. (Dat laatste uit te spreken als ‘áátslofur’.) Dit hoor ik, dit zie ik, dit voel ik.

Zwijgen doe ik evenwel niet. Het kan namelijk betekenen dat biervariatie momentum aan het kwijtraken is. Omdat het nog altijd door de meerderheid als een aberratie, een afwijking, een bijzonderheid, een anomalie wordt gezien. Ik ga hier niet mijn inmiddels bekende mantra rondom het s-woord herhalen. Maar het lijkt er op dat ik wat alleen sta in het hebben van dit gevoel. Want hoe luid de gesprekken binnen in de bierstolp ook zijn, ze gaan heel vaak niet over de ‘gewone’ consument. Niet over de vraag hoe biervariatie écht voetbalkantinefähig kan worden gemaakt. Niet over de vraag hoe biervariatie ingebed kan worden in ons drinkgedrag. Hoe de nakende biermoeheid kan worden afgewend, en omgezet kan worden in nog meer dorst naar biervariatie. En dat terwijl een groot deel van de mensen in die stolp hun geld met biervariatie verdient. De blik lijkt voornamelijk gericht op de eigen navel, en het pluis dat daar in te vinden is.

En dat mag, natuurlijk. We leven in een vrij land. En misschien heb ik het wel helemaal mis. Maar het zou zo mooi zijn als een derde poging van Julien ons bespaard blijft, en hij het nog een keer over – ik noem maar wat – avo-toast gaat hebben. Ja, ik moest het ook even opzoeken. Best lekker, zo’n broodje. Maar wel een hoop gedoe. Ik neem de volgende keer gewoon weer een krentenbol.

Reacties zijn gesloten.