We vertrokken naar Rotterdam. Het nieuwe onderkomen van het Nederlands Fotomuseum moest hoognodig eens bekeken worden, en zoals we weten is een bezoek aan een museum een zeer plausibele opmaat naar een goed glas bier of twee.
Het museum, in voormalig koffiepakhuis Santos aan de Brede Hilledijk en op loopafstand van metrostation Rijnhaven, is zonder meer de moeite waard. Het is zo’n museum waar het gebouw zelf minstens zo bezienswaardig is als de tentoongestelde waren. De uitgestelde collectie weet de valkuil van totale informatie overkill te vermijden en is net mooi te behappen. En dat alles in een prettig vormgegeven decor. Gaat dat zien dus!
Gekkenhuis
De hoognodige pint daarna liet evenwel op zich wachten. Bij Kaapse waren we al eens geweest na de verhuizing uit het oude Fenix gebouw, en dat vonden we minder leuk dan vroeger. Even overwogen we om na de lunch naar Vet & Lazy te gaan (Noordt en Stadshaven Brouwerij hadden ook op de shortlist kunnen staan) maar ons oog viel op een bericht van 010beerblog over Lloyd’s Taproom aan de Oostkousdijk. Daar mot je wezen als bijdetijdse biergozert of -gozerin!
Ik citeer hier even de dichter J.A. Deelder om aan te geven hoe men in het Rotterdamse dient te manoeuvreren: “Rotterdam Schiedam Vlaardingen Maassluis / hoekie om trappie af gekkenhuis”. En zo geraakten wij ook in Delfshaven. Via dat hoekie en dat trappie – de hoogteverschillen in de straten van dit stadsdeel zijn opvallend – en natuurlijk hielp ook de metro een handje mee. Enfin, aangezien we voor de openingstijd van de taproom arriveerden in Delfshaven besloten we even binnen te wippen bij café Verschoor. Op de hoek van de Oostkousdijk en Waaldijk. Little did we know.
Kleintje pils
Zodra je je hand op de klink van de onderste helft van de ‘boerendeur’ legt gaan alle koppies in het café jouw kant op. Eenmaal binnen is de vraag ‘thee voor mevrouw, en koffie met melk en suiker voor meneer?’ Toeristen drinken dat, weet Theo. En hij kan het weten. Samen met zijn Joke staat hij al sinds 1982 achter de toog. Enkele stamgasten maken ruimte aan de bar, en de gringo’s nemen plaats.
Thee en koffie bewaren we echter voor een andere keer. We opteren voor het enige bier dat hier geschonken wordt. Heineken. Al sinds mensenheugenis. De enige variatie komt van de verschillende glasmaten; als er gevraagd wordt om een ‘kleintje’ houdt Theo meteen een van de vele aanwezige objecten in piemelvorm omhoog ter illustratie van dat begrip. Bedoelt u zoiets? Want een kleintje heeft Theo wel. Van plastic. Nouja, hoe leg ik dit nou uit.
Café Verschoor is een verzameling verzamelingen. Vaste klanten. Die piemels dus. En ook kerstversiering en Heineken-parafernalia. Wie langer kijkt, ziet steeds meer. Veel André Hazes ook. Diverse portretten van Amsterdams meest geliefde zoon aan de wand. Hier geen Lee. Geen Gerard. Hazes is de basis. Ook in Delfshaven.
Ondertussen stroomt de kroegpraat door, als het water in de Nieuwe Maas. De beeldspraak is niet te vermijden. Waar we vandaan komen? Wat we van Delfshaven vinden? En dat moet ik eerlijk zeggen? Oh, u komt uit Overschie, en noemt zich Overschiese? Hoe oud ik denk dat u bent? Wij komen uit Krommenie. Van de vloerbedekking, ja. Vlakbij Wormerveer, en daar komt Wolter Kroes vandaan. Ja, zet die even op, gezellig!
Routineus verglijdt de tijd in café Verschoor, waar Theo zo begaan is met zijn clientèle dat hij regelmatig zelf de kwaliteit van het bier test. Hij doet dat uit een glas waarvan ik niet durf te vragen hoe het heet. Voor je het weet wordt er weer een object uit die verzameling onder je neus gestoken. We storten ons op het bakje wokkels dat de tapbiertjes vergezelt. Paprikasmaak. Tijd niet gezien, wokkels. Blij dat ze nog bestaan. Blij dat café Verschoor bestaat.
High end
Ik ben ook blij dat Lloyd’s Taproom bestaat. Als ik ooit een biercafé begin, is de kans groot dat het er zo uitziet. Het is nog maar net open, maar een instant hit. Gerund door Rick Wijers van bierhandel Beer Trading Company (voorheen De Hopshop) en zijn vriendin. Bediening die het hele gebied van enthousiast-attent tot cool-ennui bestrijkt. Op tafel komt koud water, glazen gevuld met ijsklonten, en een bakje chips. Naturelsmaak. Er is ook een aardige wijnkeuze, er zijn prima snacks. Hier en daar nog een puntje op de i en een streepje door de t maar als dat voor elkaar is en het ook een jaar of wat wordt volgehouden is dit een aanwinst voor het Rotterdamse, het Nederlandse, bierlandschap.
We kiezen van de zestien tapkranen bieren van Metalhead uit Bulgarije, Salvador uit Brazilië en Zichovec uit Tsjechie. Opvallend: er is slechts een enkel bier uit Rotterdam, te weten Kaapse Wit. Zelfs de ‘eigen’ Lloyd’s bieren (we zagen Lager en Blonde op de tap) worden niet in Rotterdam gebrouwen maar in België en Polen. De koelkast is een feest van herkenning voor de liefhebbers. Ammonite. Tree House. Boerenerf. Malpolon. Fidens. The Veil. En dan is er nog een kelder die op Untappd zijn geheimen prijsgeeft. Het is duidelijk: Lloyd’s plaatst zich in het hogere segment. Het richt zich, ondanks die lager en blond die als vluchtheuvel fungeren voor de zoekende bezoeker, op de stevig afgeharde bierdrinker.
En dat die er zijn in Roffa wordt duidelijk als iemand zonder met de ogen te knipperen vier blikken van brouwerij Freak Folk afrekent. Voor €28,50 per stuk. Wijers kijkt er niet van op. Gisteren verkocht ie er ook vier. Geweldige IPA’s maken ze, behoren tot de beste ter wereld volgens hem. Dus eigenlijk is het heel normaal. En wij maar denken dat Freak Folk een obscure brouwerij uit Waterbury, Vermont is waar behalve wij nog niemand anders in Nederland van had gehoord.
De prijzen voor de bieren zijn hoog, soms op het absurde af (zien we daar €185 gevraagd worden voor een Toppling Goliath Mornin’ Delight?), maar kennelijk is dit het nieuwe normaal. Dit is normalisering van biervariatie op een volgend niveau. Een houdbaar niveau? Heel veel van dit soort ‘high end’ bierbars zijn er niet in Nederland en dus zou het houdbaar kunnen zijn als de harde kern uit het land dit weet te vinden en er de omweg, plus de euro’s, de komende jaren voor over heeft.
Ja, als ik een biercafé begin zou het zomaar op Lloyd’s kunnen lijken. Maar wel met een verschil. Ik zou meer balans aanbrengen, met bieren die geen €185 hoeven te kosten. Wat Duitse toppers. Wat Belgen en Britten en Fransen en Italianen die meer aandacht verdienen. Lokaal bier ook, vooral. Meer variatie in stijlen misschien.
Waarom? Bier gaat ook over toegankelijkheid. Juist. En de kans bestaat dat men het op een gegeven moment wel gezien heeft, en eens een ‘low end’ bier wil drinken. Als je daar een antwoord op hebt, van hetzelfde niveau als al die prijzige whales op tap en in de koelkast en in de kelder, dan draag je bij aan de normalisatie van biervariatie. Normalisatie op een bestendig, houdbaar niveau.


