Wie wel eens in het Amsterdamse bierhuis In De Wildeman komt, heeft het vast wel eens zien hangen: een wat rabberig stuk papier met daarop de uitspraak ‘Nu zou ik wel een potje bier lusten’. Toegeschreven aan Nescio. Het zette me aan het denken – welke rol speelt bier in de Nederlandstalige literatuur, of liever nog in algemene zin in het creatief geschreven woord zoals ook in liedteksten, gedichten en strips? Ik ging op zoek en zonder ook maar de geringste ambitie te hebben om volledig te willen zijn deel ik graag deze opgedoken pareltjes.
Nescio
Eerst maar ‘ns op zoek naar die Nescio-quote. Die blijkt uit zijn verhaal De Uitvreter (1911) te komen. U weet wel, van die beroemde openingszin ‘Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.’ Die uitvreter is natuurlijk ene Japi, die kennelijk graag een potje bier lust, want hem wordt de uitspraak in de mond gelegd.
Hij dronk dan bijvoorbeeld ‘zuur bier’ in het Maastrichtse bierhuis aan de Place Brouckère in Brussel, waar hij ‘verzot’ op was en met ‘waardigheid en smaak’ dronk. Verder is het een kerel die ‘je sigaren oprookte’ en ‘altijd wat liet halen op naam van een ander’; iemand waarvan zelfs de achternaam niet bekend is en die eigenlijk ‘helemaal niks’ wil zijn.
Zo krijgt die verzuchting in de Wildeman een haast filosofische lading. Ook al heb je geen brandende verlangens of torenhoge ambities of überhaupt zin om je conformeren aan geschreven danwel ongeschreven regels van de samenleving, er is altijd een troostend potje bier.
Maigret
Nu we toch al even in België zijn geweest komt de Luikse schrijver George Simenon in beeld. Zijn creatie, commissaris Maigret van de ‘police judiciaire’ in Parijs (en officieel Nederlander, want op 45-jarige leeftijd in Delfzijl geboren volgens een akte uit 1966 van de toenmalige burgemeester; lees hier meer over dit bijzondere fictieve feit), deed behalve moorden oplossen immers ook niets liever dan potjes bier verschalken, overigens naast diverse andere typisch Franse alcoholische versnaperingen.
Hij deed dat vaak in brasserie Dauphine, vlakbij het aan de Quai des Orfèvres gelegen politiebureau. Als het zo uitkwam liet hij van daar ook bier bezorgen om lijf en leden verkwikt te houden tijdens de lange werkdagen, compleet met een stapel sandwiches. Sommige verdachten dienden namelijk wat langer aan de tand gevoeld te worden dan het moment dat mevrouw Maigret klaarzat met de Provençaalse lamsbout of konijn in roomsaus.
Ook in de Maigretjes is bier gewoon bier zonder nadere aanduiding, maar in Maigret en de zaak Nahour wordt bij de Elzasser zuurkoolschotel wat specifieker ‘Straatsburger’ bier gedronken. Meerdere flesjes, vanzelfsprekend. Van mevrouw Maigret is overigens een heus kookboek verschenen, maar dat is weer een heel ander verhaal.
Slauerhoff
Minder overtuigd van de heilzame werking van bier was de reisdriftige scheepsarts annex literator J.J. Slauerhoff. In Schuim en Asch (1930) hekelt hij in de tekst Such is life in China het ‘Duitsche’ bier dat de ’Münchener buiken en harten, overmatig uitgezet’ bepaald geen goed doet. Bier dat voor de export is bestemd zou zelfs zodanig ‘met salicyl en arsenic verzadigd’ zijn dat ‘de verbruikers vóór ze aan de corpulentie toe zijn, al lang een chronische vergiftiging te pakken hebben’.
In de bundel Alleen de havens zijn ons trouw (uitgave 1992) lezen we in Brieven uit het Verre Oosten over ‘lady dancing partners’ waarover hij opmerkt: ‘Het is een troosteloos beroep, dat nog meer tot drankzucht disponeert dan koetsier bij Heineken’s’. Even later velt hij een oordeel over Sapporo-bier: ‘Het is slap en lauw, doorstaat de vergelijking met pils of Heineken in de verste verte niet’.
Nee, de rusteloze Fries was meer een man van de wijn, getuige zijn gedicht Dronken in de Lente: ‘In mijn kruik wat wijn nog. … En ik hoef alleen mijn kruik weer te vullen / En ben weer zalig.’
Lucebert
Neem dan Lucebert. Al wat hij wil is ‘woest bier drinken in een mors huis’. Een rotsvast mantra dat als trefzeker anker kan dienen in het huidige bestaan dat door onzekerheid en angsten wordt gekenmerkt. Het citaat komt uit het gedicht voor de dichter g.k. dat in de bundel de amsterdamse school (1952) is opgenomen.
Het is een gedicht dat de experimenteerdrift uit de jaren vijftig vertegenwoordigt, toen schrijvers als Hugo Claus en Simon Vinkenoog verwoed op zoek gingen naar directheid, zintuiglijkheid en vrijheid van expressie. Er daar hoort onbeperkt woest bier drinken bij, stel ik me zo voor. Lucebert heeft zich niet uitgelaten over welk bier hij dan precies dronk in dat huis. Gezien het tijdperk zal dat een helder pils-achtig brouwsel van een bekend merk zijn geweest. Ach, het deed er wellicht niet zo veel toe in die tijd.
Drs. P
Drs. P, de Zwitserse taalvirtuoos die bij geen enkele stroming hoorde en doodgemoedereerd in zijn eentje een heel genre bij elkaar rijmde, wist ook van wanten als het om bier ging. In het Kelderlied wordt het productieproces van het bier even beknopt als nauwgezet uit de doeken gedaan; de compacte zinnen ‘En dan gaat het rijpe koren naar de brouwerij / En daar ligt het dan te gisten met wat hop erbij / Daarna laat men het bekoelen in een ondiep bad / en aldus ontstaat een schuimend gerstenat’ spreken boekdelen, al had een ander rijmschema het brouwproces meer recht gedaan.
Alras ontaardt het lied in een janboel. Want zijn het eerst ‘blote meisjesvoeten’ die de ‘rijpe gerst’ uitpersen, vervolgens wordt er door een met ‘gersteloof omkranst’ meisje de ‘primitieve pilsner polka’ gedanst, waarna de zaak definitief uit de rails loopt in een roes van woorden die alleen voor de drinkebroer zelf nog enige samenhang vertoont.
Liederen
Nu we toch aan de liederlijke liederen zijn geraakt kan Rob de Nijs niet ongenoemd blijven. Bij het blond schuimend bier bezong hij in 1973 al het rondgaan van de naam Malle Babbe. Zij is vastgelegd op een schilderij van Frans Hals uit de jaren ‘30 van de 17e eeuw. We zien een dame met een uil op de schouder en een tinnen kroes in de hand. Misschien een leuk idee voor de branchevereniging CRAFT, want na het bier van Rembrandt van De verloren zoon in een herberg zou een volgende queeste kunnen zijn: wat dronk Malle Babbe? Enfin. Rob was hiermee nog niet uitgezongen over bier. Want bier is bitter, weet hij ons te melden in het gelijknamige lied uit 1977. En meer nog: ‘Bier is bitter, bier is best / Bier is beter dan de rest’. Op welke rest er wordt gedoeld blijft ongewis, maar het zingt lekker mee.
Over meezingers gesproken. Vanwege de over het algemeen wat minder fijnbesnaarde manier waarop er over bier wordt gezongen (lees hier het diepgravende artikel van Peter Zwaal) laten we al die carnavalsellende maar even voor wat het is. Al kan er voor Mama waor is mien pils uit 1982 van Normaal een uitzondering worden gemaakt, omdat ik het beschouw als een geslaagde parodie op het genre. Bovendien spreekt er uit het chanson een oprechte en diep doorvoelde liefde voor het goudgele vocht. De strofe ‘Hef niemand dan mien pils gezien / Ik lust der wel een stuk of tien’ behoort inmiddels tot het standaard repertoire van elke goedgemutste caféganger. Dat kan van Evert van der Pik’s Geen bier maar karnemelk (1975) niet worden gezegd.
Voorts moet de grote André Hazes vermeld worden, die elk lied – of het nu over kerstbomen, barkrukken of vliegers ging – tijdens de vertolkingen daarvan steevast voorzag van een schuimende omlijsting. Het bier speelt hier op meta-niveau een essentiële rol.
Poëzie
Willem Wilmink maakt het in zijn gedicht Belgisch Bier dan een stuk concreter. Hoewel, gedicht? Het is een opsomming, een bombardement bijna, van een veertigtal bieren, Belgisch inderdaad, als antwoord op de openingsvraag ‘Zeg wat wilde gij voor bier?’. Hardop voorlezen is het devies, om het ritme van de woorden te kunnen proeven voordat er wordt afgesloten met ‘Vriend, ik heb voor elk wat wils’. En dat in 1977.
Wat kritischer is de stadsdichter van Wijk bij Duurstede, André van Zwieten. In 2015 creëerde hij Schuim, losjes leunend op Herman Gorter en Drs. P, voor de Wijkse Stadsbrouwerij De Dikke: ‘Veel brouwerijen had je vroeger hier … Maar honderd jaar geleden stierf het uit / bestelde voorheen elke herbergier / lokaal zijn gerstenat – opeens vanuit / het land een paardepisleverancier’. Daar is geen woord Frans bij.
De 9e kunst
En ach, dan hebben we het nog niet eens gehad over de negende kunst. Natuurlijk is daar de figuur van Lambik uit de Suske en Wiske reeks, die door geestelijk vader Willy Vandersteen werd vernoemd naar zijn favoriete pint. Joost Houtman en Luc de Raedemaker schreven een mooi artikel over bier in deze strip op Bière Grand Cru. Olivier Blunder, wiens vader Alambiek Everhardus Biervliet Blunder immer een pot overvloedig schuimend bier in de knuisten houdt. De Leukebroeders, met hun Grappistenbier en het album In de Hemel is geen Bier. De Vlaamse antiheld Nero, die behalve een avontuur met bierbomen (Het Bierkanaal, 1983) zelfs zijn eigen bier heeft.
Het moge duidelijk zijn. Bier heeft voor fictieve personages dezelfde rol die het voor ons aardse stervelingen heeft. Troost, genot, verbinding, houvast. Bier zit diep verankerd in ons bestaan. En daarmee dus ook in de Nederlandstalige literatuur, met een grote of een kleine l. Alles begint met taal, met het gesproken danwel geschreven woord. Ook daar is bier te vinden. Ook dat is biercultuur.
Bronnen:
-
Literaire teksten oa. geraadpleegd via DBNL (KB, nationale bibliotheek) op dbnl.org
-
Songteksten via diverse sites, w.o. https://muzikum.eu/nl/drs-p/het-kelderlied-songtekst

